Helder geformuleerde doelen
Op deze pagina duiken we dieper in een voorbeeld van het verschil tussen de vorige eindermen en de nieuwe minimumdoelen voor geschiedenis.
Op deze pagina duiken we dieper in een voorbeeld van het verschil tussen de vorige eindermen en de nieuwe minimumdoelen voor geschiedenis.
Een kennisrijk curriculum werkt met helder geformuleerde doelen. Je weet heel duidelijk wat leerlingen moeten kennen. Daardoor weet je ook gemakkelijker welke leeractiviteiten nodig zijn en volgt de evaluatie logisch uit wat leerlingen hebben geleerd.
Hieronder vind je een concreet voorbeeld van de nieuwe, helder geformuleerde minimumdoelen voor geschiedenis (onderdeel van de zaakvakken, voorheen wereldoriëntatie) voor het vierde leerjaar. We maken de vergelijking met de vorige eindterm ‘Historische tijd’ binnen ‘Mens en Maatschappij.
Eindterm ‘mens en maatschappij’ – historische tijd
De leerlingen kunnen belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen en indelen in periodes. Ze kunnen daarvoor eigen indelingscriteria vinden.
De leerlingen kunnen hun afstamming aangeven tot twee generaties terug.
De leerlingen kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdband.
De leerlingen kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.
De leerlingen tonen belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders.
Minimumdoelen geschiedenis ‘kennis van het verleden’
De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur omgingen en samenleefden.
De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.
Mesopotamië
De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.
De Arabische wereld
De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.
Europa
De leerlingen kennen het verschil tussen bron en bewijs.
De leerlingen kennen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen: hoe en waarom een bron is gemaakt; wanneer en waar een bron is gemaakt.
De leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.
De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen.
De leerlingen kunnen gelijkenissen en verschillen onderscheiden binnen en tussen bestudeerde samenlevingen, bv. vergelijking van Mesopotamische en Egyptische samenlevingen; of vergelijking van ervaringen van mannen en vrouwen, boeren en reizende kooplieden, binnen Mesopotamië
De leerlingen kunnen aspecten van verandering en continuïteit bespreken.
De leerlingen kunnen oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling verklaren.
De leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen.
De leerlingen kennen de volgende begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis.
De leerlingen kennen de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t.
De leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen.
De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid.
De leerlingen kunnen principes van een democratische rechtsstaat herkennen in de bestudeerde samenlevingen uit het verleden.
De leerlingen weten dat ontwikkelingen in de bestudeerde samenlevingen een invloed hebben uitgeoefend op hedendaagse samenlevingen: (on)vrijheid, (on)gelijkheid, (on)verdraagzaamheid, oorlog en vrede; erfgoed.
De leerlingen kunnen uitleggen hoe persoonlijke identiteit mee gevormd wordt door het verleden: familiebanden; aandenken.
De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.
Voorbeeld: Afrika
De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten.
De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden.
De leerlingen kunnen aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het antwoorden op historische vragen.
De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.
De leerlingen kunnen typische historische vragen stellen met betrekking tot: continuïteit-verandering (bv. wat veranderde er voor vrouwen in de 20e eeuw?);
oorzaak-gevolg (bv. welke impact had de Europese handel op het Kongo-koninkrijk?, waarom werd de Muur van Berlijn afgebroken?)
De leerlingen kunnen hun gedachten ordenen om typische historische vragen te beantwoorden met betrekking tot: continuïteit-verandering; oorzaak-gevolg.
De leerlingen kunnen hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden. bv. waarom was het zo belangrijk voor Afonso I dat zijn zoon bisschop was?, waarom schafte de Europese clerus de Congolese bisschopszetel gauw terug af?, waarom stelde Pieter Bruegel de Oude “de Korenoogst” voor als erg hard werken en armoedig?
De leerlingen kunnen redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven.
De leerlingen kennen de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.
De leerlingen kennen de begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: democratie, regering, parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet, vrijheid.
De leerlingen kunnen de relatie tussen heden, verleden en toekomst verwoorden met betrekking tot de bestudeerde samenlevingen: materieel en immaterieel erfgoed; racisme en discriminatie; organisatie van samenleving en dialoog: democratische instellingen, dictatorschap
De leerlingen kunnen uitleggen wat historische gebeurtenissen, ontwikkelingen, plaatsen, en/of personen voor de samenleving kunnen betekenen: erfgoed: standbeelden, straatnamen, verhalen, feestdagen.
In bovenstaand voorbeeld kan je duidelijk zien dat de nieuwe minimumdoelen veel kennisrijker zijn dan de huidige eindtermen. Alle leerlingen krijgen een sterke kennisbasis, los van hun thuissituatie. Maar wat houdt ‘kennisrijk’ nog in? Een kennisrijk curriculum heeft 3 kenmerken:
Uitgever Tim vertelt je alles over deze 3 kenmerken in onze boeiende video. Heb jij zijn uitleg al gehoord?
De dagelijkse uitdagingen in het onderwijs worden diverser en complexer, en dat vraagt om nieuwe oplossingen. Daarom werken wij volop aan vernieuwingen. Dat doen we niet alleen, maar in nauwe samenwerking met leerkrachten – de échte experten in het veld.
Wil je ook meedenken en je mening delen?